Proeven met de drijfmestbenutter
Proeven
met de Drijfmestbenutter
De werking van de Drijfmestbenutter is onderzocht in proeven. Deze zijn uitgevoerd door Agrotransfer BV en de Agrarische Hogeschool in Dronten. Er zijn twee proefvelden aangelegd op grasland: één in Dronten en één in Horssen in het land van Maas en Waal. Uit de proeven bleek dat met de Drijfmestbenutter een duidelijk betere stikstofbenutting behaald werd. In Horssen leidde dit ook tot een hogere opbrengst. In Dronten had het gewas last van fosfaatgebrek, hierdoor waren er geen opbrengstverschillen. Het eiwitgehalte van het gras was echter wel hoger bij gebruik van de Drijfmestbenutter, wat aantoont dat er toch méér stikstof benut is.
Hieronder volgen de proefbeschrijving en resultaten uit het verslag van de Agrarische Hogeschool.
1.
Opzet en uitvoering van de proef
§1.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt er gesproken over de gang van zaken die bij de verschillende proefnemingen gebeurt zijn. Het gaat om een oriënterende proef, zonder herhaling. De proef bestond uit bemesting van grasland met verschillend behandelde rundveedrijfmest.
§1.2 Proefmateriaal
Het proefmateriaal voor deze proef bestaat uit twee percelen grasland en drijfmest afkomstig van twee verschillende veehouderijbedrijven. Er is gebruik gemaakt van twee percelen grasland omdat er de mogelijkheid was om de proef op twee verschillende locaties uit te voeren.
§1.2.1 Grasland
· Het eerste perceel ligt in Horssen. Dit ligt ten westen van Nijmegen. Dit perceel is twee hectare groot en bestaat uit lichte kleigrond. Het perceel is twee jaar geleden ingezaaid met een BG 4 mengsel met daardoorheen 3 kg witte klaver en 2 kg rode klaver. Op het moment dat de proef werd uitgevoerd bestond het areaal voor ongeveer 25% uit klavers. Het perceel is opgedeeld in drie proefvelden die allemaal ongeveer 2/3 hectare groot zijn. Het is als volgt opgedeeld:
H0; Dit is het proefveld dat is bemest met onbehandelde drijfmest, de uitgangssituatie.
Hw; Dit is het proefveld dat is bemest met drijfmest dat is behandeld met alleen water.
Hlw; Dit is het proefveld dat is bemest met drijfmest dat behandeld is met lucht en water.
· Het tweede perceel ligt in Dronten. Dit ligt in Flevoland in de buurt van Lelystad. Ook dit perceel is twee hectare groot en bestaat uit kleigrond. Net als in Horssen is dit perceel ook twee jaar geleden ingezaaid met een BG 4 mengsel maar dan zonder klaver. Dit perceel hebben we ook weer opgedeeld in drie proefvelden van ongeveer 2/3 hectare en dat ziet er als volgt uit:
D0; Dit is het proefveld dat is bemest met onbehandelde drijfmest, de uitgangssituatie.
Dl; Dit is het proefveld dat is bemest met drijfmest dat alleen is behandeld met lucht.
Dlw; Dit is het proefveld dat is bemest met drijfmest dat behandeld is met lucht en water.
§1.2.2 Mest
De percelen grasland werden alleen bemest met drijfmest en dit werd niet aangevuld met stikstof uit kunstmest.
De mest is afkomstig van twee verschillende veehouderijbedrijven. In Horssen is mest gebruikt van de veehouder Bernts. Dit was drijfmest dat geproduceerd was door de melkkoeien gedurende de wintermaanden. Op dit bedrijf worden de boxen ingestrooid met zaagsel. Het rantsoen van deze groep koeien zag er als volgt uit:
- 2/3 gras
- 1/3 maïs
- Krachtvoer
Van deze mest is een monster genomen en geanalyseerd door BLGG Oosterbeek, (zie bijlage 1). Opvallend aan deze mest is dat er iets meer droge stof in zit en dat er meer dan gemiddeld N-totaal in de mest zit. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de N-organisch.
In Dronten is er mest gebruikt van de Schoolboerderij. Deze mest was geproduceerd door de melkkoeien van dit bedrijf in de stalperiode en is deels tot stand gekomen door het zaagsel wat in de boxen gestrooid werd. Het rantsoen van de koeien zag er zo uit:
- 1/2 gras
- 1/2 maïs
- Krachtvoer.
Er is een monster genomen van de mest en geanalyseerd door BLGG Oosterbeek, (zie bijlage 1). Er valt vooral op dat deze drijfmest weinig N-totaal bevat, namelijk 3,6 kg/ton terwijl er gemiddeld 4,9 kg/ton in drijfmest zit. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door minder NH3-N in de mest.
§1.3 Proefopzet
De twee percelen grasland zijn in drie stukken verdeeld. Voor beide percelen zijn dat drie stukken van ongeveer 2/3 hectare grootte. De indeling was als volgt:
Tabel 1. Proefvelden in Horssen met de mestgift
|
H0: 16 kuub mest per hectare. |
| Hw: 16 kuub mest met 4 kuub water per hectare. |
| Hlw: 16 kuub mest met 4 kuub water en lucht per hectare. |
De mest is aangewend op woensdag 22 maart met een Vredo bemestingstank van 9.6 kuub inhoud, met een sleufkouter bemestingssysteem.
Tabel 2. Proefvelden in Dronten met de mestgift
|
D0: 25 kuub mest per hectare. |
|
Dl: 25 kuub mest met lucht per hectare. |
|
Dlw: 25 kuub mest met 4 kuub water en lucht per hectare. |
Op dit perceel is de mest ook aangewend met een Vredo bemestingstank met een inhoud van ongeveer 11 kuub. Bij deze tank werd de mest op het land gebracht met een techniek van een zodeinjecteur. Dit vond plaats op donderdag 23 Maart.
§1.4 Uitvoering van de
proef
De proef is uitgevoerd in het voorjaar van 2000 en werd beïnvloed door de weersomstandigheden, de manier van monsters nemen van de drijfmest en het verse gras en de manier van opbrengst bepaling van het gras.
§1.4.1
Weersomstandigheden
In de maand februari was het erg nat weer. Er viel zoveel neerslag dat na het bereiken van de T-som er nog geen drijfmest op het land kon worden uitgereden, omdat het land nog te nat was. Zodoende was het weer de beperkende factor voor het uitrijden. In week twaalf, in maart, klaarde het weer eindelijk op en begon de grond te drogen. Zodoende werd halverwege de week besloten door de boer in Horssen en door de bedrijfsleider van de Schoolboerderij dat er een begin kon worden gemaakt met het uitrijden van de drijfmest. Op het tijdstip van bemesten was het weer erg mooi, de zon scheen en de temperatuur was ongeveer 15 graden Celsius. Na de mestaanwending is het weer ongeveer 5 dagen zo gebleven en toen is het omgeslagen naar koud en regenachtig weer. Dit was minder groeizaam weer voor het gras. Men zag toen op het perceel in Dronten zelfs een rode gloed komen over het gras wat er op duidt dat de groei van het gras helemaal stil lag.
Vanaf 10 April is de zon weer meer gaan schijnen al werd het nog niet echt warmer, er viel zelfs nog af en toe een bui. Maar langzaam aan werd het beter. Het kwam er wel op neer dat het grasland goed kon opdrogen. Voor het gras was het alleen nog niet echt groeizaam dat kwam pas vanaf medio 16 April. Dit bleek ook wel uit de tussenmetingen die op 12 en 13 april gedaan zijn. Er bleek toen uit de resultaten dat het gras nog nauwelijks gegroeid was. Na de tussenmeting werd het wat warmer en kon het gras weer echt gaan groeien.
§1.4.2 Monstername
mest / gras
Tijdens het uitrijden van de drijfmest hebben we monsters genomen van de mest. Deze hebben we vanuit de mestput genomen waar de mest in opgeslagen was. Het was gemixed en zodoende vrij homogeen. Omdat we met een beperkt budget werkten hebben we er voor gekozen om van de mest in Horssen en in Dronten ieder maar een monster te nemen. Deze monsters hebben we laten analyseren door BLGG Oosterbeek. De uitslagen van deze monsters zijn te zien in bijlage 1.
Van het gras hebben we twee keer een monster genomen. De eerste keer was tijdens de tussenmeting op 12 en 13 april. We hebben toen van elk proefveld een vers gras monster genomen. Dit monster is samengesteld uit een aantal plukmonsters die verspreid over het hele veld zijn genomen. Dat is met de volgende methode gedaan. Over de velden zijn 5 diagonale lijnen uitgezet. Vervolgens hebben we langs deze lijnen met steeds een gelijke tussenafstand 20 plukmonsters genomen. Dit is te zien in de hier onderstaande figuur 1. Al deze plukmonsters zijn bij elkaar gevoegd tot een monster. Dit is herhaald op dezelfde methode voor elk proefveld.
De tweede keer dat er monsters van het gras zijn genomen was tijdens de maaiproef op 28 april. Er is toen per perceel van het gemaaide gras een gemengd monster samengesteld.
Beide keren zijn de monsters opgestuurd naar BLGG Oosterbeek, voor een vers gras analyse. De resultaten zijn te zien in de bijlagen 2&3.
Klik
op de onderstaande afbeelding voor een vergroting
§1.4.3 Opbrengst
bepaling
De opbrengst is bepaald op 28 april. Toen
zijn in al de proefvelden drie vakken van drie bij drie meter uitgemaaid. Deze
vakken zijn volledig willekeurig in het proefveld op steeds eenderde afstand van
elkaar uitgezet. Er is met het maaien een hoogte van 50 mm vanaf de bodem
aangehouden.Van elk vak is het gras bij elkaar geharkt en het totale gewicht
bepaald. Deze methode is op al de proefvelden herhaald.
2.
Proef resultaten
§2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt er aandacht besteed aan de resultaten die het project heeft opgeleverd. Hierin komt onder andere ter sprake:
· De tussenmeting
· De maaiproef.
· Op welke tijdstippen de verschillende metingen zijn uitgevoerd.
§2.2 Tijdschema
In het tijdschema zijn er de volgende dingen gebeurd die betrekking hebben op het proefveld en de waarnemingen die daar aan zijn verbonden.
· 22 & 23 maart bemesten van percelen in respectievelijk Horssen en Dronten.
· Op 12 & 13 april is er een tussenmeting gedaan die betrekking heeft op de voederwaarde van het gras en de Kg Drogestof opbrengst per hectare.
· Op 28 april is de meting gedaan bij het gewas waarbij de Kg Drogestof per hectare is bepaald en de voederwaarde van het gewas.
§2.3 De tussenmeting aan het gewas
Half April is er een tussenmeting uitgevoerd aan het gewas. Op het eerste gezicht leken de percelen weinig te verschillen qua groei van het gewas. Alleen bij de percelen in Horssen kon je een goed verschil opmerken tussen het perceel dat bemest was met water en lucht en het perceel dat op de gewone, standaard manier was bemest.
Bij de Drogestof-opbrengst bepaling hebben we gebruik gemaakt van de graslandhoogtemeter (bijlage 4). Bovendien hebben we in Horssen een voederwaarde proef gedaan op perceel 2 (Hwl) en perceel 3 (H0). In Dronten hebben we voederwaarde monsters genomen op perceel 4 (D0) en perceel 5 (Dwl). Zie voor uitkomsten bijlagen 2&3.
De uitkomsten van de opbrengstbepaling met de graslandhoogtemeter vindt u in de onderstaande tabel.
| Tabel 1: Drogestof bepaling 12 & 13 april met de graslandhoogtemeter |
| Meting | Horssen (graslengte in cm) |
Dronten
(graslengte in cm) |
||||
| H0 | Hw | Hwl | D0 | Dl | Dwl | |
| Gemiddelde lengte | 18,74 | 19,52 | 20,42 | 10,90 | 10,69 | 11,25 |
| Standaard deviatie | 1.66 | 1.66 | 2.24 | 1.59 | 1.40 | 1.35 |
| Gemiddelde ds-opbrengst | 2630 | 2766 | 2913 | 1285 | 1254 | 1344 |
De uitslagen van de voederwaarde proef zijn in de volgende tabel besproken. Het gras is "geplukt" van het land en toen in zakjes naar de BLGG Oosterbeek gestuurd. Waar ze een vers grasonderzoek hebben gedaan.
| Tabel 2: Voederwaarde gras 1e snede 12&13 April |
| Horssen |
Dronten |
|||
| H0 | Hwl | D0 | Dwl | |
| DS | 211 | 224 | 281 | 281 |
| VEM | 1060 | 1063 | 1006 | 1010 |
| DVE | 109 | 109 | 94 | 95 |
| OEB | 55 | 50 | -13 | -12 |
| Ruw eiwit | 228 | 223 | 147 | 148 |
| Ruwe celstof | 170 | 163 | 160 | 161 |
| Ruw as | 91 | 89 | 81 | 78 |
| VCOS | 85,2 | 85,4 | 83,3 | 83,3 |
| Suiker | 179 | 193 | 303 | 311 |
Aan deze tussenmeting valt op dat er in beide gevallen meer Kg Drogestof per hectare is voor de percelen waarop de mest wordt aangebracht met water en lucht. Met dien verstaande dat de standaarddeviatie voor de proeven in Horssen en Dronten vrij groot zijn
Vanuit de voederwaarde gezien valt op dat er geen grote verschillen zijn in de belangrijkste onderdelen in het voederwaarde onderzoek.
§2.4 De maaiproef
Op 28 April 2000 is er in Horssen en Dronten de opbrengstbepaling van de 1e snede gedaan. Deze proef is gedaan met een maaimachine. De zes percelen zijn onderling in 3 stukken van 9 m2 over de breedte van het perceel verdeeld. Hiervan is het gras gemaaid en is het gewicht bepaald van dat desbetreffende gemaaide stuk gras. Het gewicht is bepaald met een digitale weegschaal die nauwkeurig kan wegen. De resultaten zijn weergegeven in de volgende tabel.
| Tabel 3: graslandopbrengst (2e meting 28/4/2000) |
| Meting | Horssen |
Dronten |
||||
| H0 | Hw | Hwl | D0 | Dl | Dwl | |
| 1 | 4323 | 4319 | 5619 | 2306 | 2369 | 2289 |
| 2 | 4936 | 4155 | 4978 | 2354 | 2277 | 2471 |
| 3 | 4398 | 4811 | 5406 | 2663 | 2507 | 2584 |
| Opbrengst Kg Ds per Hectare | 4552 | 4428 | 5334 | 2441 | 2385 | 2448 |
Verder is er van elk perceel een monster genomen om daarvan de voederwaarde te laten bepalen door BLGG Oosterbeek. De uitkomsten van deze proef zijn weergegeven in tabel 4.
| Tabel 4: Voederwaarde gras eerste snede (2e meting; 28/4/2000); eenheden /kg ds gras |
| Horssen |
Dronten |
|||||
| H0 | Hw | Hwl | D0 | Dl | Dwl | |
| DS (g/ kg prod.) | 167 | 164 | 175 | 214 | 207 | 204 |
| Per kilogram ds: | ||||||
| VEM | 1025 | 1007 | 1008 | 986 | 995 | 1003 |
| DVE | 106 | 103 | 103 | 92 | 95 | 98 |
| OEB | 48 | 43 | 38 | -12 | -6 | 6 |
| Ruw eiwit (g) | 229 | 212 | 206 | 147 | 155 | 170 |
| Ruwe celstof (g) | 229 | 238 | 229 | 220 | 225 | 229 |
| Ruw as (g) | 102 | 101 | 95 | 94 | 89 | 97 |
| Suiker (g) | 95 | 91 | 115 | 213 | 206 | 174 |
| VCOS (%) | 83,8 | 83,1 | 82,9 | 83,2 | 83,3 | 84,0 |
Uit tabel 3&4 blijk dat de opbrengst in Horssen voor het perceel dat is behandeld met water en lucht duidelijk hoger ligt dan de uitgangssituatie. In Dronten is dat voordeel bijna niet te noemen. Wel is daar meer stikstof vastgelegd in de plant (zie hoofdstuk 4.4). Verder blijkt weer dat vanuit het voederwaarde onderzoek geen duidelijk betere resultaten zijn te ontdekken.
§2.5 Relatieve stikstofefficiëntie
Om te kijken of op de verschillende percelen een verschil in stikstofbenutting is, kan er worden uitgerekend wat de relatieve stikstofefficiëntie is van de percelen. Dit gebeurt door uit te rekenen wat er aan stikstof in gaat en wat er bij de eerste snede van het gras weer uitkomt aan stikstof.
| Tabel 5: Het effect van mest-beluchting en/of verdunning op de N-opname door gras (kg N/ha) van de eerste snede en de relatieve N- efficiëntie. |
| Horssen |
Dronten |
|||||
| H0 | Hw | Hwl | D0 | Dl | Dwl | |
| Stiksof in de mest (kg/ha) | 81,5 | 81,5 | 81,5 | 86,5 | 86,5 | 86,5 |
| Stikstof in vers gras (kg/ha) | 166,3 | 151,2 | 176,8 | 57,0 | 58,8 | 67,2 |
| Rel. Stikstof efficiëntie (%) | 100 | 90,9 | 106,3 | 100 | 103,2 | 117,9 |
Uit de tabel blijkt dat er in Horssen en Dronten meer stikstof wordt benut in de situatie waarbij water en lucht aan de mest is toegevoegd. Voor het benutten van de mineralen is dit interessant. Zeker als men kijkt naar de nieuwe mestwetgeving (Minas).
Wat verder opvalt, is dat er in Horssen meer output van stikstof is dan input. Dit komt doordat er op het rivierkleiperceel nog voorraden waren aan stikstof na de afgelopen winter (aanwezigheid van een vlinderbloemige) en op het zeekleiperceel de stikstof door denitrificatie en/of grasopname in de herfst reeds is verdwenen. Tevens speelt bij het laatstgenoemde perceel dat het gras een duidelijk fosfaattekort had, waardoor het gras een trage verwerking heeft van opgenomen stikstof in eiwitstikstof c.q. droge stof.
Uit de tabel blijkt verder dat er wel meer stikstof in de plant zit opgeslagen maar dat het nog niet is benut voor de productie van eiwitten en droge stof in de plant. Hierin speelt het tekort aan fosfaat een grote rol. Men mag er van uit gaan dat als het gras later was geoogst er wel een verschil in droge stof opbrengst zou zijn. Doordat dan de stikstof die wel in de plant zit dan ook is benut.